Ecohydrologisch onderzoek natuurontwikkeling

Binnen het projectgebied hebben diverse bestaande hydrologische maatregelen (waaronder regelbare stuwen) invloed op onder andere het behouden van kwelwater, de infiltratie van regenwater en de afvoer van oppervlaktewater. Om de effecten van de maatregelen op de hydrologische situatie en de aanwezige vegetatie in beeld te brengen is een studie en meerjarige monitoring uitgevoerd waarbij ATKB de eigen ecologische en hydrologische kennis integraal heeft kunnen inzetten. De ecohydrologische studie vormt de basis voor een langdurigere monitoring van de ontwikkeling van vegetatie en hydrologie; ten minste voor de komende 10 jaar zullen de ontwikkelingen in het gebied gevolgd worden.

In 2012 is gestart met het in beeld brengen van de op dat moment aanwezige vegetatie, middels een vegetatiekartering binnen een aantal strategisch gepositioneerde permanente kwadranten (PQ). Daarnaast is het reliëf binnen het gebied in beeld gebracht (digitale terreininmeting ten opzichte van TAW) en is de bodemopbouw vastgelegd aan de hand van een groot aantal grondboringen.

Voor het in beeld brengen van de geohydrologische situatie is gestart met de verzameling van grondwaterstanden en neerslaggegevens uit de regio uit de periode 2001-2011. De gegevens zijn geïnterpreteerd, o.a. aan de hand van opgestelde duurlijnen, en hebben tezamen met de verzamelde gebiedskenmerken als basis gediend voor het inrichten van het grondwatermeetnet in het gebied.

Om variaties waar te kunnen nemen is een meetnet ingericht waarbij automatische drukopnemers zijn geïnstalleerd om fluctuaties in grondwater én oppervlaktewater vast te leggen. Middels het meetnet zijn in de periode 2012-2014 waterstanden verzameld en is inzicht verkregen in fluctuaties op korte (neerslag) en middellange termijn (algemene seizoensinvloed).


Naast de waterstanden is tevens de (grond)waterkwaliteit van belang voor de ontwikkeling tot het gewenste natuurdoeltype. Gedurende de monitoringsperiode is per kwartaal de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater in het gebied vastgesteld. Voor het grondwater is daarbij tevens onderscheid gemaakt tussen freatisch en diep grondwater, aangezien een deel van de vegetatie afhankelijk is van kwel.

Bij de kwaliteitsbepaling is het grond- en oppervlaktewater gekarakteriseerd op basis van ionenbalansen, zuurgraad en macrochemische samenstelling. De meetgegevens geven een onderbouwing van de herkomst van het water door typering van het watertype (o.a. atmoclien, lithoclien of thallasoclien) en karakterisatie middels Stiff-, Maucha- en Piper-diagrammen. Door combinatie van de verzamelde data is bepaald wat de herkomst van het water in de wortelzone is (neerslag, oppervlaktewater, kwel) en is de invloed hiervan op de huidige vegetatie bepaald.

Het uitgevoerde onderzoek en de uitgevoerde monitoring geven inzicht in de potentie voor verdere ontwikkeling tot het gewenste natuurdoeltype binnen het gebied. Op basis van de waterafhankelijkheid van de huidige en gewenste vegetatietypen, de hydrologie binnen het gebied en de macrochemische samenstelling van grond- en oppervlaktewater zijn aanbevelingen gedaan voor het toekomstige beheer van het gebied.

 

 

 

 


 

Meer projecten